„Ik ga nooit meer naar
de markt,” fluistert het geagiteerde vrouwtje in mijn hoofd. Nochtans kan
ik mezelf vooraf altijd goed overtuigen van een marktripje. Langs de
zonnige straten slenteren en doen alsof ik in het Zuiden zit. De geur van
versgebakken koekjes in mijn neus. Marktverse groenten en fruit kopen voor
de helft van de prijs als in de winkel. En op het einde van de trip nog
een gebakken kipje kopen, zodat ik die middag eens niet aan koken moet denken.
Soms ga ik naar mijn favoriete kraampje bij de man met zijn hoed waar een
bloem op zit een bos verse bloemen halen voor mijn geliefden. Het lijkt idyllisch. Tot ik aan zo’n
kraampje sta. Opeens ben ik een onzichtbare vrouw. Iedereen, jong
en oud, lijkt zijn boodschappen voor mij te kunnen bestellen. Wanneer ik
niet wil opvallen lukt het me nooit, maar op de markt zou ik graag een beetje
opvallender zijn. Alles probeerde ik al. Ik testte het uit om
oogcontact te maken, maar de marktkramer keek altijd weg of dacht dat het een
of andere bizarre verleidingstruc was. Dan maar met iets zwaaien (geld of
gewoon mijn boodschappenlijstje). Niet meer dan een flauw zwaaitje terug
heb ik hierdoor nooit verkregen. Ik ging eens over tot de grove middelen:
ik blokkeerde een deel van het kraam met mijn fiets, liefst met een kind erop.
Hierdoor kreeg ik vooral boze blikken van mijn medekopers en een
overspannen marktkramer. Ik werd wel wat vlotter besteld, maar kreeg een
slecht gevoel door de negatieve energie rondom me.
Mijn uitstapjes naar de
markt zijn dus nog heel dun bezaaid. Het moet al een hele mooie zomerdag
zijn, liefst in het Zuiden, als ik me nog eens waag aan de markthel. Geef
mij maar de rij in de slagerij, liefst met een vastgelegd nummer.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten