vrijdag 25 oktober 2013

Aromaconserven


Reuk is één van mijn belangrijkste bezittingen.  Soms is het een gave, soms eerder een last.
Omwille van mijn gevoelige neus eet ik nooit mijn lekker Da Vinci-ijsje op de Brugse markt op,  de paardenstank is er te overweldigend.  Ook een hondenstrontluchtje kan mijn eetlust bederven.  Als een vrouw voor me naar het toilet is geweest kan ik ruiken of ze haar maandstonden heeft, hoe proper ze ook is.  Een te overvloedig gespoten parfum werkt voor mij als een kat op een muis: ik loop weg.  Het omgekeerde is ook waar: een lichaamsgeurtje kan mijn menig over iemand helemaal vervormen. 
Er hangt ook een bouquet herinneringen aan vast.  Als kind had ik een knuffel die altijd bij me was, Piet konijn.  Ik vond dat hij heerlijk rook, maar mijn moeder dacht er anders over.  Achteraf gezien was er waarschijnlijk een reukje aan.  Zoals het een goede moeder betaamt, was ze in het bezit van een reserve Piet konijn.  Toen ze me deze eens wou aansmeren omdat de ‘échte’ dringend de wasmachine in moest, wou ik hem niet aannemen wegens een ander odeur.  Mijn moeder heeft me Piet konijn dan maar stinkend en wel terug gegeven.  Nadat mijn mama bevallen was van mijn twee kleinste zussen, ik was toen 11 jaar oud, sliep ik 10 dagen in een slaapkleed van haar, om haar geur dichtbij me te hebben als ik eenzaam en koud in mijn bed lag.
Geuren doen me zoveel, ze bepalen bijna mijn leven.  Geef me een verloren kledingstuk en ik weet wie het gedragen heeft.  De geur van benzine doet me denken aan op de terugweg vanuit Frankrijk slapend in de auto liggen.  Een bloeiende kastanjeboom geeft mijn stoute fantasieën een extra luchtje.  Het aroma van een dennenbos na een warme zomerdag kan mij volledig ontspannen.  Als er dan ook nog regen valt kan de dag voor mijn neus niet meer stuk.  Het parfum van een kampvuur doet mij mijmeren over gezellige maar vermoeide avonden.  Versgebakken brood ruikt naar terugfietsen na een lange avond in de scoutsbar. 
Ik kan niet kiezen wat ik het lekkerst vind, een nog naar onschuld ruikend baby’tje, een verse bos rode rozen, de zilte zeelucht, vers gewassen windgedroogde lakens of een vers gedrukt boek, maar ik hoop deze geurende geneugten nooit te moeten missen.

donderdag 17 oktober 2013

Schrikdroom


De droom kwam recht uit mijn kindertijd en was zo realistisch, bijna vatbaar, dat ik met kloppend hart en badend in het zweet wakker schrok.  Machteloos, zo voelde ik me, toen ik over die volle, maar in mijn hoofd o zo lege speelplaats keek.  Het gelach echode nog na in mijn oren.  Het hielp niet dat mijn juffrouw van het derde leerjaar dat meisje het meest talentvolle kind uit haar klas vond.  Ze speelde viool, ze schreef prachtige gedichten, was superslim en kon declameren als geen ander.  Het hielp ook niet dat haar vader de (toen nog) PMS-medewerker was die nog nooit van een pestactieplan gehoord had.  Misschien bestond dat nog niet in de jaren ’80?  Mijn eigenzinnige manier van doen hielp ook niet om het negeren en het sporadische gelach de kop in te drukken.  Mijn ogen waren echter nooit droog en ik had de knop nog niet gevonden om de waterlanders af te zetten.  Daarom is wenen in het openbaar voor mij op dit moment zo’n beproeving geworden.  Dat meisje was eigenlijk ook een slachtoffer.  Van haar eigen opvoeding, van de maatschappij waarbij dominantie verwerven een must is, van haar eigen seutige uiterlijk…  Ik weet nog dat ik vele jaren later op een feestje stond en ik haar zag staan.  De vriend die met me mee was wist over mijn geschiedenis met het meisje en schold haar de huid vol.  Helpen deed het niet, denk ik.  Karma zal zo zijn eigen plannen hebben met haar. 
Karma heeft mij gezegend met een mooi gezin en een wijze vriendenkring.  Daarvoor alleen al zou ik dat 3de leerjaar nog eens opnieuw willen ondergaan.

donderdag 10 oktober 2013

De spinnenstrijder


Het is een irrationele fobie, dat weet ik, maar toch heerst er bij mij een grote angst voor spinnen.  Angst is een groot woord, ik vind ze vooral vies, zeker die dikke met hun harige poten.  In het bijzijn van mijn dochters wil ik deze fobie zeker niet tonen.  Wanneer ze me dus roepen dat ik hen moet komen redden van een spin, komt mega-mama aangevlogen.  Mijn feministisch kantje zal hier ook wel iets mee te maken hebben.  De halve wc-rol moet eraan geloven, zodat mijn vingers zeker dat langharig beest niet zouden raken.  Ze staan dan schreeuwend mee te leven, terwijl ik mijn rust probeer te bewaren en zo cool mogelijk de spin vang.  Een vroeger kotgenootje keek me altijd boos aan toen ik muggen, laat staan spinnen, doodde.  Van haar moest ik dan ook de kleine diertjes als levende wezens beschouwen en redden van een gewisse dood.  Het is waarschijnlijk ook van haar dat ik hoorde dat wanneer je een spin opstofzuigt, hij niet écht dood is.  Wanneer er weer zo’n beestje de zuigkracht van mijn stofzuiger niet heeft kunnen weerstaan, begin ik te fantaseren.  Stel dat die spin me eens goed heeft kunnen bekijken vooraleer hij naar de zak verbannen werd.  Zou hij me dan herkennen als hij met zijn kleine pootjes weer door die lange buis zijn vrijheid tegemoet loopt?  Komt hij dan wraak nemen?  Roept hij dan eerst een legertje medeslachtoffers  aan om mee te komen strijden?  Ik laat mijn machine dan ook een paar extra minuutjes zuigen, het liefst met grote brokken vuil, zodat Sebastiaan zeker de geest gegeven heeft.
Een andere mythe die ik altijd onthouden heb is dat er spinnen je slokdarm inlopen terwijl je ’s nachts rustig ligt te soezen.  Gelukkig werden deze 2 mythes ontkracht tijdens een leerzame google-sessie.  Spinnen zijn eigenlijk nuttige beestjes én in België leven geen bijtende, zoals ik mijn kinderen toch altijd wijsmaak.  Het enige nadeel aan mijn niet aflatende spinnendodentocht is dat we nu met een muggenplaag zitten…

woensdag 2 oktober 2013

Snoepjesbakker


Daar stond ik weer bij de bakker met het schaamrood op mijn wangen… Voor een kind bestaan er 2 soorten bakkers: de bakkers waar je een snoepje krijgt en de andere.  Als het brood bij die andere duidelijk kwalitatiever is, dan is dat jammer.  Als ik met een dochter om onze dagelijkse hoeveelheid granen ga, beland ik altijd in een snoepjesbakker.  Het moet gezegd, deze soort is zeer schaars geworden.  Het zal aan de crisis liggen, zeker?  Crisis in de verscheidenheid aan brood is er zeker niet.  Het zweet breekt me al uit als ik denk aan de keuzestress die vasthangt aan de 30 soorten brood die sommige bakkers voorschotelen.  Hoe moet ik me 13 granen inbeelden?  Bestaan er wel zoveel soorten granen?  In de seconden dat dit soort vragen door mijn hoofd spelen, heeft er me al een oud vrouwtje met zéér weinig tijd voorbijgestoken…
Nu vergeet zo’n lieve bakkerin soms een snoepje te geven, maar dat is buiten de kinderen gerekend.  Mijn jongste dochter begon als ze kleiner was steevast ontroostbaar te huilen, maar tegenwoordig heeft ze een nieuwe strategie.  Terwijl we de winkel uitwandelen vraagt ze, haar grote ogen nog groter opengesperd, “Krijg ik geen snoeeepje?”.  De subverdeling ‘bij de pinken snoepjesbakker’ reageert onmiddellijk op deze onrechtstreeks vraag door de bekende doos boven te toveren.  Met de blos op mijn kaken tot gevolg.  Dan hoor ik mezelf het standaardzinnetje: “En wat zeg je nu? Dankjewel!”, zeggen, terwijl mijn kinderen de “wel” met volle mond mee murmelen.
Volgende keer ga ik brood halen wanneer de kinderen op school zitten, de meeste bakkers stellen na 16u toch lege rekken tentoon.  Graag bij de wakkere bakker, onderverdeeld volgens volwassen-normen.  Het liefst die mét lekker brood.  Ook al betekent dat dat ik op maandag de zondagskrant moet lezen. (En, nee, ik moet geen zakje hebben.)