De droom kwam recht uit mijn
kindertijd en was zo realistisch, bijna vatbaar, dat ik met kloppend hart en
badend in het zweet wakker schrok.
Machteloos, zo voelde ik me, toen ik over die volle, maar in mijn hoofd
o zo lege speelplaats keek. Het gelach
echode nog na in mijn oren. Het hielp
niet dat mijn juffrouw van het derde leerjaar dat meisje het meest talentvolle
kind uit haar klas vond. Ze speelde
viool, ze schreef prachtige gedichten, was superslim en kon declameren als geen
ander. Het hielp ook niet dat haar vader
de (toen nog) PMS-medewerker was die nog nooit van een pestactieplan gehoord
had. Misschien bestond dat nog niet in
de jaren ’80? Mijn eigenzinnige manier
van doen hielp ook niet om het negeren en het sporadische gelach de kop in te
drukken. Mijn ogen waren echter nooit
droog en ik had de knop nog niet gevonden om de waterlanders af te zetten. Daarom is wenen in het openbaar voor mij op
dit moment zo’n beproeving geworden. Dat
meisje was eigenlijk ook een slachtoffer.
Van haar eigen opvoeding, van de maatschappij waarbij dominantie
verwerven een must is, van haar eigen seutige uiterlijk… Ik weet nog dat ik vele jaren later op een
feestje stond en ik haar zag staan. De
vriend die met me mee was wist over mijn geschiedenis met het meisje en schold
haar de huid vol. Helpen deed het niet,
denk ik. Karma zal zo zijn eigen plannen
hebben met haar.
Karma heeft mij gezegend met een
mooi gezin en een wijze vriendenkring.
Daarvoor alleen al zou ik dat 3de leerjaar nog eens opnieuw
willen ondergaan.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten